Dossier

Hoe gevaarlijk is 5G?

Waar komen de verontrustende berichten vandaan?

Ideale studie is onmogelijk om uit te voeren

De “ideale” studie, waarmee we onomstotelijk zouden kunnen bewijzen of radiofrequente straling al dan niet bepaalde gezondheidseffecten veroorzaakt, is gewoonweg niet haalbaar. Daarvoor zouden we duizenden mensen willekeurig in verschillende groepen moeten verdelen: die zouden hun mobiele telefoon niet, matig of juist heel veel moeten gebruiken gedurende vele jaren. Onmogelijk om voldoende kandidaten te vinden die zich strikt aan de opgelegde criteria willen en kunnen houden.

Studies met tekortkomingen

Doordat de “ideale studie” niet mogelijk is, hebben alle studies omtrent straling die we wél kunnen doen tekortkomingen. Hieronder een overzicht van wat deze dan zoal zijn, toegepast op het voorbeeld van hersenkanker, omdat dit het gezondheidseffect is waarvoor het verband met mobiele telefoon-gebruik het vaakst is onderzocht.

Patiënt-controle studies geven een vertekend beeld.

In dit type onderzoek worden twee groepen personen met elkaar vergeleken. De ene groep, de “patiënten”, lijdt aan een bepaalde aandoening zoals hersenkanker; de andere groep, de “controles”, niet. Men vergelijkt een mogelijke risicofactor uit het verleden tussen beide groepen, in dit geval hoe vaak deze personen hun mobiele telefoon gebruikten.

Het grote nadeel bij zulke studies is het risico op een vertekend beeld, omdat je moet vertrouwen op wat deelnemers zich herinneren van de voorbije jaren. Het is immers niet ondenkbaar dat personen uit de patiëntengroep (of hun familie, als de patiënt intussen overleden is) de straling zelf als een mogelijke oorzaak van hun aandoening zien en daardoor hun gebruik, zelfs onbewust, gaan overschatten. Bij de controlegroep kan net het omgekeerde gebeuren, namelijk een onderschatting van hun gebruik. De correlatie zal daardoor groter lijken dan ze in werkelijkheid is. Dit was bijvoorbeeld het geval bij een beperkt aantal patiënt-controle studies uit het verleden, die suggereerden dat frequent en langdurig gebruik van mobiele telefoons het risico op bepaalde hersenkankers 2 tot 3 keer zou doen toenemen.

Daarbij komt nog dat een patiëntengroep doorgaans veel makkelijker te overtuigen is om deel te nemen aan zo’n onderzoek dan een controlegroep. En dat onevenwicht leidt uiteraard ook tot een vertekend beeld. Oppassen dus met de interpretatie van dergelijke studies!


Cohort studies duren niet lang genoeg en bekijken een te kleine groep.

Bij een cohort studie wordt een groep mensen met een aantal gelijkenissen, zoals nationaliteit, verblijfplaats etc, gedurende enkele jaren van dichtbij gevolgd. De hamvraag bij zo’n studie is of de blootstelling aan een bepaalde factor, in dit geval mobiele telefonie, een impact heeft op het al dan niet krijgen van een aandoening zoals hersenkanker, na verloop van tijd. Bij de start van het onderzoek lijdt niemand van de cohortgroep aan deze aandoening.
Wat maakt dit type studie niet geschikt om een oorzakelijk verband tussen mobiele telefonie en bepaalde gezondheidseffecten bloot te leggen?

  • Te kort: Eerst en vooral lopen dergelijke studies doorgaans niet lang genoeg om de ontwikkeling van bepaalde aandoeningen zoals hersenkanker te kunnen detecteren.
  • Te kleine groep: Om een toename van een relatief zeldzame aandoening zoals hersenkanker te kunnen vaststellen bij wie langdurig en intensief wordt blootgesteld aan radiofrequente straling, moet de cohortgroep véél groter zijn.
  • Blootstelling is moeilijk te meten: In bestaande cohortstudies werd vaak aan de deelnemers gevraagd om zelf te rapporteren hoe vaak ze hun mobiele telefoon gebruikten, wat een risico op onder- of overschatting met zich meebrengt. Of er werd gevraagd of men een contract had met een telecomprovider, maar dit betekent uiteraard niet automatisch dat je je mobiele telefoon vaak gebruikt. De vraag naar hoe vaak je je telefoon gebruikt moet bovendien ook geregeld opnieuw worden gesteld tijdens een studie: zo’n gedrag kan immers na verloop van tijd wijzigen.

Trendanalyses sluiten een klein risico op lange termijn niet uit.

Bij trendanalyses worden de incidentie (dwz het aantal nieuwe patiënten) van een bepaalde aandoening bekeken binnen een bepaalde regio en dit over de jaren heen. Het gebruik van mobiele telefoons is de laatste decennia enorm gestegen. Deze periode is lang genoeg om een vergelijking te kunnen maken met voorheen, en om de ontwikkeling van bepaalde aandoeningen zoals hersenkanker te kunnen detecteren. Daarom zijn zulke trendanalyses heel waardevol.

Uit de meeste Westerse trendanalyses blijkt dat er geen toename is van het aantal hersenkankers in de laatste 20 jaar. In enkele studies waar er toch een lichte stijging is van een bepaald type hersenkanker, kan dit grotendeels verklaard worden door een verbetering van de methoden om dit soort kanker vast te stellen. Deze resultaten zijn dus geruststellend, maar gaan in tegen die van een beperkt aantal patiënt-controle studies, die suggereerden dat frequent en langdurig gebruik van mobiele telefoons het risico op bepaalde hersenkankers 2 tot 3 keer zou doen toenemen. Als dit werkelijk zo zou zijn, zouden we dat al lang opgemerkt hebben in de trendanalyses.

Betekent dit dan dat we, op basis van de trendanalyses, met zekerheid kunnen zeggen dat er helemaal geen risico is? Jammer genoeg niet. Maar we kunnen wel zeggen dat, als er al een risico is dat tot nu toe onder de radar is gebleven, dat dit heel klein is, en dat het slechts opduikt in een kleine subgroep van de bevolking, namelijk bij die personen die heel sterk blootgesteld worden aan straling van mobiele telefoons of zendmasten gedurende lange termijn.


Dierstudies bestuderen niet het werkelijke risico

Er zijn ook twee grootschalige studies gedaan op ratten en muizen. Het opzet van deze studies was om na te gaan of radiofrequente straling van mobiele telefoons of zendmasten schadelijk kan zijn. Het doel was dus niet om te bepalen of er, wanneer alle blootstellingslimieten worden gerespecteerd, voor de mens een risico bestaat op bepaalde gezondheidseffecten. En dat is een essentieel verschil. In het eerste geval spreekt men van een “hazard”-studie. Men wil nagaan of een bepaalde factor mogelijkerwijze schadelijk kan zijn. In de tweede situatie gaat het om een “risk”-studie, waarbij men het werkelijke risico in kaart wil brengen, met andere woorden of die factor ook daadwerkelijk schadelijk is in het dagelijks leven, wanneer de blootstellingslimieten gerespecteerd worden. Vergelijk het met een haai in een aquarium. De haai op zich is gevaarlijk. Hazard-studies zullen daarop dus wijzen. Maar het risico dat een haai in een aquarium je aanvalt is miniem. En dat is het risico waarover risk-studies spreken.

De onderzoekers zagen bij langdurige en sterke blootstelling aan radiofrequente straling van mobiele telefoons of zendmasten een verhoogd risico op een bepaald type kanker in het hart. Vreemd genoeg enkel bij mannelijke ratten, dus niet bij vrouwelijke ratten of muizen. Deze resultaten kunnen niet zonder meer worden geëxtrapoleerd naar mensen. Het gaat immers om “hazard studies”, waarbij de dieren gedurende veel langere tijd aan een veel hogere stralingsdosis werden blootgesteld dan de dosis waarmee mensen in hun dagelijks leven te maken krijgen.

Bovendien komt er vanuit wetenschappelijke hoek flink wat kritiek op het experimenteel design van deze studies en vooral op de interpretatie ervan. Er valt zoveel op aan te merken dat de correlaties waarvan sprake hoogstwaarschijnlijk puur toeval zijn.


Cherry picking

Net omdat alle studies die de impact van straling van mobiele telefoons en zendmasten op onze gezondheid onderzoeken bepaalde tekortkomingen hebben, is het heel belangrijk om naar het geheel van wetenschappelijke studies te kijken, ze correct te interpreteren, en ook rekening te houden met de verschillen in kwaliteit. En dat is wat er bij alarmerende berichten in verband met straling vaak niet gebeurt: men pikt er enkel die studies uit die de gevaren kracht bij zetten, zonder rekening te houden met hun kwaliteit en met de andere soorten studies. In het Engels bestaat daar de mooie term “cherry picking” voor.
Ook Hoge Gezondheidsraad gaat in de fout ...

Jammer genoeg heeft ook de Hoge Gezondheidsraad zich aan cherry picking beschuldigd in een rapport van mei 2019 over “Fysisch-chemische milieuhygiëne (beperking van de blootstelling aan mutagene of hormoonverstorende agentia) en het belang van blootstelling op jonge leeftijd”. Hierin werd een lijst opgesteld van chemische stoffen waarmee we dagelijks in contact kunnen komen en die mogelijk gevaarlijk zijn voor de gezondheid. Eén paragraaf in het rapport gaat over blootstelling aan niet-ioniserende straling. Deze wordt door tegenstanders van elektromagnetische straling gebruikt als een argument om hun standpunt te ondersteunen. Waar liep het mis in dit rapport?

  • Er gebeurde geen grondige review van de literatuur. Er werd ‘lukraak’ verwezen naar een aantal oude studies.
  • Het rapport werd niet opgesteld door experts in niet-ioniserende straling.
  • Dit rapport geeft enkel stoffen aan die mogelijk schadelijk kunnen zijn, zonder na te gaan of er écht een oorzakelijk verband is tussen deze producten en bepaalde gezondheidsproblemen. Ook hier gaat het dus weer over “hazard” en niet om het werkelijke risico in het dagelijks leven (“risk”).

Classificatie als “mogelijk kankerverwekkend”

Het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek geeft radiogolven het label “mogelijk kankerverwekkend”. En die classificatie wordt geregeld aangehaald in artikels die de mogelijke gevaren van radiogolven onderstrepen. Het gaat echter om een interpretatiefout. De labels die deze instantie toekent, zeggen niets over hoe kankerverwekkend iets daadwerkelijk is in het dagelijks leven (“risk”). Ze brengen enkel in kaart hoeveel bewijs er is voor schadelijkheid (“hazard”). En dat was op het moment dat dit label werd toegekend dus erg weinig. Als je weet dat we in diezelfde categorie ook het beroep van timmerman vinden en de bladeren van de aloë vera-plant dan besef je wel dat dit label geen reden is tot paniek.