Nieuws

Zonnepanelen en digitale meter: jij mag kiezen

14 maart 2019

14 maart 2019
Wij zijn verheugd dat het Vlaams Parlement eindelijk klare wijn heeft geschonken over de invoering van de digitale meter voor bezitters van zonnepanelen. Wie vóór 2021 zonnepanelen heeft geplaatst, kan het mechanisme van de terugdraaiende teller gedurende 15 jaar volledig behouden. Maar de regeling had nog beter gekund.

Voor ons was het niet aanvaardbaar dat er met de invoering van de digitale meter zou worden geraakt aan de rentabiliteit van reeds gedane investeringen in zonnepanelen. Destijds beloofde de toenmalige minister van Energie Tommelein dat consumenten die wilden investeren in zonnepanelen, gedurende 15 jaar rendementszekerheid moesten krijgen. Die belofte is nu ingelost op Vlaams niveau.

Wie krijgt er eerst een digitale meter en wat verandert er dan concreet voor jou? Ons dossier over de digitale meter legt je snel de belangrijkste wijzigingen uit

Naar ons dossier Digitale meter

Wij wilden bovendien dat de consument moest kunnen kiezen uit verschillende stelsels, en dat hij afhankelijk van zijn eigen situatie de meest gunstige regeling kon nemen. Op die manier zou hij gemotiveerd zijn om zijn eigen stroomproductie zoveel mogelijk te verbruiken op het moment van de opwekking. Hij mag nu effectief zelf kiezen, maar de verantwoordelijkheid voor een foute keuze ligt ook volledig bij hem.

Keuze ligt bij de consument

Wie zonnepanelen plaatst of heeft geplaatst vóór eind 2020, zal concreet uit 2 systemen kunnen kiezen.

Een eerste mogelijkheid is het mechanisme van de terugdraaiende meter behouden gedurende 15 jaar (vanaf de aanmelding van de installatie) in combinatie met de betaling van een prosumententarief (op basis van het vermogen van de fotovoltaïsche installatie). Dit is een verderzetting van het huidige systeem waarbij de digitale meter weliswaar technisch niet terugdraait maar wel virtueel (door de afname te verminderen met de injectie op de factuur).

De tweede mogelijkheid is de nieuwe regeling volgen die is uitgewerkt door de Vlaamse energieregulator VREG. Die rekent distributienettarieven aan op basis van de zgn. bruto afname van stroom, dus de stroom die je van het net afneemt wanneer de zonnepanelen niets of te weinig produceren (duidelijk vast te stellen met een digitale meter, anders dan bij de huidige analoge). Daarbij krijg je de stroom die je op het net injecteert, niet meer tegen dezelfde prijs “vergoed” als degene die je zelf aan je energieleverancier betaalt. Het komt er dan op aan zoveel mogelijk stroom te verbruiken op het ogenblik dat de zonnepanelen die opwekken: hoe meer je je zelf opgewekte zonneenergie meteen verbruikt, hoe voordeliger je af zult zijn. Bij die regeling verdwijnt het prosumententarief.

Er zijn echter limieten aan de mate waarin je je verbruik op je eigen productie kunt afstemmen. Niet iedereen heeft de middelen om te investeren in slimme huishoudtoestellen die je overdag kunt laten draaien wanneer je wilt, of nog in thuisbatterijen of elektrische voertuigen.

En vooral bepaalde groepen prosumenten riskeren slechter af te zijn met het nieuwe systeem en zullen er allicht baat bij hebben om bij de bestaande regeling te blijven:

  • wie op jaarbasis meer stroom produceert dan verbruikt;
  • wie een hoog winterverbruik heeft door toedoen van de elektrische verwarming of een warmtepomp;
  • wie weinig stroom verbruikt in de zomer;
  • wie een groot nachtelijk verbruik heeft. 

Gemiste kans om zelfverbruik maximaal te stimuleren

Nog beter was geweest dat de VREG het Waalse voorbeeld had gevolgd, waarbij prosumenten die voor het tarief op basis van de bruto afname kiezen, de garantie zouden krijgen nooit méér te zullen betalen dan mét de regeling van het prosumententarief. In dat scenario had men meer consumenten gestimuleerd om een actievere rol te spelen door zoveel mogelijk de eigen stroom proberen te verbruiken. Lukte dat niet, dan was er immers geen man overboord. In de Vlaamse regeling is echter geen garantie ingebouwd dat wie voor het nieuwe systeem kiest, zijn initieel vooropgesteld financieel rendement gevrijwaard ziet en niet slechter af zal zijn.

Het risico ligt aldus volledig bij de Vlaamse zonnepanelenbezitter. Die raden we aan om het eigen verbruiksprofiel, en meer specifiek het zelfverbruik, eerst zo goed mogelijk in te schatten en te becijferen – eventueel zelfs een tijdje met de digitale meter – alvorens een beslissing te nemen om over te schakelen naar het nieuwe systeem. Eens je het nieuwe systeem hebt gekozen, is er immers geen weg terug (naar het oude).

Een voorbeeld ter verduidelijking

Wat de precieze impact van jouw keuze kan zijn, leggen we het best uit aan de hand van een voorbeeld.

De heer Peeters woont in 9000 Gent, heeft een enkelvoudige meter en zonnepanelen met een omvormer met een vermogen van 4,3 kWp. Op jaarbasis verbruikt hij 4 200 kWh, zijn zonnepanelen wekken 3 900 kWh op. Hiervan verbruikt hij zowat 30 % zelf onmiddellijk. 

Huidig systeem met terugdraaiende teller en prosumententarief

Prosumententarief: 4,3 x € 90,15 (tarief Imewo 2019) = € 388
300 kWh netto afname van het net (4 200 – 3 900 kWh) = € 48 nettarief
Totale kosten: € 436

Nieuwe regeling op basis van bruto afname, zonder prosumententarief

Zelfconsumptie: 1 200 kWh (+/ 30%) injectie: 2 700 kWh
Bruto afname (jaarlijks verbruik – zelfconsumptie): 3 000 kWh (4 200 – 1 200 kWh)
Te betalen aan nettarieven op basis van deze bruto afname: € 482

Zelfverbruik

Eindresultaat in nieuwe systeem

Beter/slechter tegenover huidige regeling (€ 436)?

30 %

€ 482

+ € 46

40 %

€ 424

- € 12

45 %

€ 392

- € 44

Met een zelfconsumptie van 30 % zou de prosument in dit geval slechter af zijn. Maar als hij zijn zelfconsumptie kan optrekken tot 40 % of zelfs 45 %, zou hij beter af zijn. Die oefening zou elk voor zichzelf moeten maken.

Wil je een berekening maken voor jouw persoonlijke situatie inzake zelfconsumptie? Dat kan via de simulator van de VREG.

Je vindt ook enkele rekenvoorbeelden in de presentatie (pdf-bestand) van de nieuwe Vlaamse minister van Energie.