Dossier

Heeft iedereen binnenkort een psychische stoornis?

08 februari 2022
psychiatrische stoornis

Het meest toonaangevende psychiatrische handboek in de wereld telt ondertussen bijna 350 verschillende psychische stoornissen. Er kwamen er de voorbije decennia almaar nieuwe bij. Tegelijk versoepelden de criteria van bestaande aandoeningen. Een tactiek van de farma om meer pillen te verkopen?

De “Diagnostical and Statistical Manual of Mental Disorders” (DSM) is nog steeds hét referentiewerk over psychische aandoeningen. De eerste editie kwam uit in 1952 en lijstte toen ongeveer 100 psychische stoornissen op. Vier edities later zitten we aan meer dan het driedubbele aantal ziektebeelden.

Enkele stoornissen die erbij kwamen in 2013: de verzamelstoornis, de eetbuistoornis, de huidpulkstoornis en de premenstruele dysforiestoornis (waarbij vrouwen voor hun maandstonden last krijgen van een soort depressie).

Onlangs goedgekeurd voor de revisie die in maart uitkomt (de DSM-5-TR): de persisterende complexe rouwstoornis, een syndroom waarbij mensen vast komen te zitten in hun verdriet na het verlies van een dierbare. 

Hoe weet je of je een psychische stoornis hebt?

Medicalisering van normale verschijnselen?

Dr. Allen Frances, emeritus hoogleraar psychiatrie aan de Duke University, is niet blij met die laatste toevoeging. Hij is ervan overtuigd dat deze nieuwe stoornis medicalisering van een normaal verschijnsel als rouw in de hand zal werken, vertelde hij via e-mail. Meer mensen met een diagnose, dus meer mensen aan de pillen. Sommigen vrezen dat we op den duur allemaal een stoornis aangepraat zullen krijgen. 

Er werden doorheen de jaren weliswaar ook stoornissen geschrapt, het syndroom van Asperger bijvoorbeeld. Maar de schrappingen zijn in de minderheid. 

Ook het feit dat de criteria van bestaande stoornissen doorheen de jaren versoepelden, zou bijdragen tot wat critici “diagnostische inflatie” noemen. Neem bijvoorbeeld ADHD. In de vierde editie van de DSM moest een kind nog vóór zijn zevende verjaardag last hebben van hyperactiviteit of aandachtsproblemen om dat label te kunnen krijgen. Sinds de DSM-5 is dat twaalf jaar. Een ander voorbeeld betreft de sociale angststoornis. In de DSM-IV moest een persoon zelf erkennen dat zijn angst voor de reacties van anderen overdreven of onredelijk is. Sinds de vijfde editie is dat niet langer het geval en volstaat het dat de dokter, psycholoog of psychiater de angst buitenproportioneel vindt.

Toch een nuancering: een recente analyse van verschillende studies suggereert dat die versoepelingen geen of weinig impact hebben op het totale aantal mensen dat een diagnose krijgt omdat er ook stoornissen zijn waarvan de criteria mettertijd verstrengden.  

Tactiek van "Big Farma"?

Sommige critici suggereren dat “Big Farma” achter sommige van die wijzigingen zit. Helemaal uit de lucht gegrepen is dat niet. In het wetenschappelijke vakblad PLoS Medicine onthulden Lisa Cosgrove en Sheldon Krimsky dat bijna 70 % van de experts die de DSM-5 ontwikkelden, banden met farmafirma’s had. Ze kregen bijvoorbeeld geld om onderzoek te verrichten of om een lezing te geven over een bepaalde aandoening. Of ze zaten in een adviesraad van een firma. Wil dat zeggen dat die experts omgekocht zijn en aanpassingen aanprezen waar ze eigenlijk niet achter stonden? Dat ontkennen de experts in kwestie ten stelligste. Maar belangenverstrengeling kan ook een invloed uitoefenen op je oordeel zonder dat je je er bewust van bent en zonder dat er kwaad opzet in het spel zit.

Prof. Dr. Stephan Claes van de onderzoeksgroep psychiatrie aan de KU Leuven uit ziet er alvast geen reden in om het handboek aan de kant te schuiven. Thomas Pattyn, crisispsychiater in het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven, is het daarmee eens. Beide vinden de wijzigingen over het algemeen een goede zaak voor patiënten. Pattyn: “Ze zijn vooral het gevolg van voortschrijdend inzicht. Het systeem verbetert”. Voor de duidelijkheid: Dr. Thomas Pattyn ontving geen cent van de industrie. 

Het echte probleem ligt volgens Pattyn niet bij diagnostische inflatie (meer mensen die officieel een label krijgen), maar wel bij de manier waarop we nog steeds naar psychische stoornissen kijken. “We vinden het heel normaal om meermaals in ons leven een lichamelijke ziekte te krijgen. Maar o wee als het om een mentale aandoening gaat. Daar kleeft nog steeds een groot stigma aan. Daar moeten we vanaf. Het is oké om je niet oké te voelen. En een stoornis impliceert niet noodzakelijk dat je pillen nodig hebt.” 

Bovendien volstaat het overlopen van een checklist helemaal niet om een diagnose te stellen. Dat wordt in het handboek (pdf, op p. 19) zelfs benadrukt. “Je mag de DSM-codes (die verwijzen naar een stoornis) niet blindelings toepassen, zonder de context en het verhaal van de patiënt mee in rekening te brengen”, bevestigt Claes. “Ik zag gisteren een man die erg ongelukkig was. Heeft hij een depressie? Volgens de criteria van DSM zou dat kunnen, maar ik twijfel daar toch aan. Als ik zijn verhaal hoor, lijken zijn klachten in lijn te liggen met wat je zou verwachten in die omstandigheden. De man heeft relatieproblemen en moeilijkheden op het werk”.

Waarom slikken we dan zoveel pillen?

In 2020 kreeg ongeveer 10 % van de Belgen een voorschrift voor een antidepressivum. En de cijfers voor antipsychotica en methylfenidaat (een middel dat wordt voorgeschreven bij ADHD en beter gekend is onder de merknaam "Rilatine") zijn ook niet min.

“Belgen slikken inderdaad te veel psychofarmaca”, zegt professor Claes. “Maar is dat de schuld van de wijzigingen in de DSM en de vermeende inflatie van diagnoses? Ik denk het niet. Tachtig procent van de antidepressiva wordt voorgeschreven door de huisarts. Veel mensen die psychofarmaca nemen, kregen helemaal geen diagnose volgens de strikte DSM-criteria. Bovendien zegt de DSM niets over medicatie. Daar hebben we wetenschappelijke richtlijnen voor.”

Waarom slikken we dan wel zoveel pillen? Claes: “Ik wijt dat aan de maatschappij. In onze samenleving geven veel mensen aan dat het moeilijk gaat. De mensen ervaren veel stress. Ze geloven dat een pil de oplossing biedt en vragen er zelf naar bij de huisarts. Rusthuizen zijn onderbemand. En welke middelen hebben we om daarmee om te gaan? Hebben we een cultuur om over onze geestelijke gezondheid te praten? Niet echt. Hebben we voldoende toegang tot psychotherapeuten? Ook niet. Dan moet je niet verbaasd zijn dat mensen naar geneesmiddelen grijpen. Medicatie is in die context de weg van de minste weerstand.