Dossier

Wijn proeven

05 januari 2007
wijn proeven

05 januari 2007

Wijn proeven is een complex zintuiglijk gebeuren waarbij het oog, de neus en de smaakpapillen elk een eigen rol spelen. Deze kleine introductie helpt u alvast op weg om een wijn van een goed jaar naar waarde te schatten.

Het uitzicht, de geur en de smaak

Het uitzicht 

In de eerste plaats beoordeelt u de helderheid van de wijn. Een gezonde wijn mag niet troebel zijn. Om dit te beoordelen richt u het glas naar een lichtbron en kijkt u door de wijn. Daarna gaat de aandacht uit naar de kleur. De intensiteit (helder, gematigd, intens) hangt onder meer af van druivensoort, rijpheid van de druiven en de concentratie van de wijn.
  • Witte wijn: hoe jonger de wijn, hoe bleker hij doorgaans is. Door rijping in houten vaten of veroudering in de fles verdonkert de wijn geleidelijk. Zoete witte wijnen, ook de jonge, zijn donkerder dan droge witte wijnen.

  • Roséwijnen: De schakering van rosé is vooral afhankelijk van de vinificatiemethode: van licht zalmroze tot lichtrood. Bruine tinten zijn doorgaans een aanwijzing dat de wijn niet al te fris meer is.

  • Rode wijn: de kleur zal variëren naargelang van de herkomst, de variëteit van de druif en de leeftijd van de wijn. Primeurwijnen en jonge wijnen hebben meestal een paarsrode kleur. Oudere wijnen vertonen meer oranje en bruine schakeringen: oranjerood, bruinrood, baksteenrood, dakpannenrood …

De geur

Voor een eerste geurindruk neemt u het glas bij de voet, brengt u het onder de neus en snuift u een volle teug lucht op. Zo ontdekt u of de wijn een zuivere geur heeft. Om meer aroma’s vrij te maken, laat u de wijn met een lichte draaibeweging in het glas wervelen (‘walsen’). De aroma’s die u dan opsnuift kunnen beschreven worden met geuren uit onze dagelijkse ervaring:
  • Bloemengeuren zoals roos, geranium, viooltje … 
  • Plantengeuren zoals mos, varens, munt, vers gemaaid gras … 
  • Fruitgeuren waarbij de aroma’s van gedroogde vruchten (bv. noten) zich vermengen met die van vers fruit (kersen, frambozen, abrikozen, bananen … ). 
  • Brandgeuren (bv. koffie en cacao) en minerale geuren van kalk, klei … 
  • Geuren van kruiden en specerijen: peper, kruidnagel, kaneel, tijm, rozemarijn … 
  • Dierlijke geuren: vos, muskus, wild in het algemeen.
  • Verfrissende geuren: den, vanille … 
  • Houtgeuren: schors, eik … 
Hoe jonger de wijn en hoe minder druivensoorten erin verwerkt zijn, hoe eenvoudiger de aromatische samenstelling. Naarmate de wijn veroudert, ontwikkelen zich voortdurend nieuwe aroma’s: de complexiteit wordt groter en de identificatie ook moeilijker. 

De smaak 

Nadat u het uitzicht en de geur hebt beoordeeld, is het moment gekomen om te proeven. Hierbij komen de smaakpapillen in actie. We onderscheiden vier basissmaken: zoet, zuur, zout en bitter. Die smaakindrukken worden beïnvloed door een aantal factoren: de temperatuur van de wijn, het alcoholgehalte, de tannines en vooral de aroma’s die via de mondholte de neus bereiken. Proef eens een wijn met dichtgeknepen neus en u zult versteld staan hoe weinig smaak hij heeft. Daarom heeft proeven weinig zin als u verkouden bent. 
Bij het proeven laat u een klein slokje wijn in de mond wervelen door lucht aan te zuigen. Dat heeft voornamelijk tot doel meer aroma’s vrij te maken om de smaakindruk op de tong te versterken. De (goede) smaak van de wijn, hoe subjectief die indruk ook kan zijn, wordt vooraf bepaald door een harmonieus evenwicht tussen drie essentiële componenten: de zuurtegraad, alcohol en tannines. Daarbij komt nog – en dan vooral bij witte wijnen – de suiker. 
De smaakindruk (en daaraan gekoppelde beoordeling) zijn het gevolg van een meer of minder uitgesproken aanwezigheid van deze elementen. Een evenwichtige zuurtegraad geeft de wijn levendigheid, alcohol zorgt voor de volheid en een juiste dosering van tannines geeft de indruk van zachtheid. 
Met het doorslikken (of uitspuwen) van de wijn is de proefervaring nog niet afgelopen. Als laatste wordt de nasmaak beoordeeld, met andere woorden de aroma’s die achterblijven in de mond. Hoe langer en intenser die afdronk, hoe beter de wijn. De nasmaak moet evenwichtig zijn en in de lijn liggen van de geur- en smaakindrukken. De nasmaak mag zeker niet wrang of zuur zijn.