Analyse
Kies de juiste Universal Invest Flexible 5 jaar geleden - donderdag 22 maart 2012

Universal Invest Global Flexible, het uitstekende gemengde fonds van Bank Delen Asset Management, bestaat uit diverse klassen. Wat betekent dat?

Verschillende klassen

Universal Invest Global Flexible is een actief beheerd gemengd fonds komende uit de stal van Bank Delen Asset Management dat niet alleen bij Bank Delen zelf kan gekocht worden. Het is een van de weinige ‘neutraal’ gemengde fondsen die op onze aankooplijst prijken. De beheerder maakt het de belegger alvast niet gemakkelijk door het fonds aan te bieden in verschillende zogenaamde aandelenklassen: A, B, C en D. Waarom? Door binnen een bepaald compartiment zo’n klassen te creëren, kan de beheerder op een gemakkelijke manier diverse magen vullen zonder dat dat gevolgen heeft voor het eigenlijke beheer van het fonds. Zo kunnen er verschillende muntklassen worden geschapen (eenzelfde fonds dat noteert in euro, in dollar, in pond, enzovoort) of, en dat is hier het geval, verschillende kostenplaatjes worden opgesteld. Zo gaat klasse A door het leven met een jaarlijks beheerloon van 0,95 %, en doet klasse B het met 0,75 %. Klassen C en D rekenen 0,5 % aan.

Voor de rest is (bijna) alles hetzelfde want het beheer is voor alle klassen gelijk. Vergelijkt u de technische fiches van de klassen met elkaar, dan zult u zien dat er geen verschil is wat portefeuille betreft. Wel zullen de rendementen anders zijn omdat die deels afhangen van de grootte van het jaarlijkse beheerloon. Een keuze maken tussen de verschillende klassen van hetzelfde fonds lijkt dan ook simpel op het eerste gezicht: kies simpelweg voor het fonds met het laagste jaarlijkse beheerloon en u hebt een winnaar. Maar schijnt bedriegt.

Kostenstructuur

Allereerst is er de toegankelijkheid. De reden waarom de vier klassen worden gecommercialiseerd is omdat de beheerder in eerste instantie de meer kapitaalkrachtige aandeelhouder wil belonen. Zo worden de klassen A, B en C in principe verdeeld binnen Bank Delen zelf. De ‘gewone’ belegger kan daar de duurst beheerde klasse (A) kopen. De goedkoper beheerde klasse B is dan weer weggelegd voor de belegger die meer dan 1 miljoen euro in het fonds steekt. En vanaf 2,5 miljoen euro komt de illustere klasse C in het vizier. En klasse D? Die werd in het leven geroepen om te worden verdeeld buiten Bank Delen.

Leuk om te weten, is dat de beheervergoeding van klasse D slechts 0,5 % bedraagt. De vergoeding gevraagd door klasse C dus en dat zonder de eis van het minimale instapbedrag. Met z’n allen daarheen? Neen. De mond van de fondsenverdeler moet ook gevoed worden en daarom voorziet klasse D in een aparte maximale verkoopvergoeding van 1 % per jaar. Die vergoeding wordt ook in de praktijk aangerekend en vloeit naar de fondsenverkoper. Het nadeel voor de belegger: het verhoogt het totale kostenplaatje aanzienlijk. Zo ziet u in de tabel dat de totale kosten van de D klasse daarmee aandikken tot 1,95 % per jaar, veruit het duurst. En dat laat zich gevoelen in het geboekte rendement, veruit het laagst.

Welke versie kopen?

In theorie hebt u geen keuze. Als klant bij Bank Delen liggen klassen A, B of C voor u klaar. Daarbuiten moet u het met klasse D rooien.

 

Tot zover de theorie. In de praktijk kunt u vandaag ook buiten de Antwerpse bank klassen A en B op de kop tikken – klasse C blijft voorbehouden voor een select publiek – , maar hanteren de verkopers zoals BinckBank en Deutsche Bank bijvoorbeeld ook het minimale instapbedrag opgelegd door het fonds voor klasse B. En zo is de keuze snel gemaakt. Klassen B en C hebben te hoge instapdrempels. En de ogenschijnlijke duurderde klasse A draagt historisch gezien minder (totale) kosten met zich mee dan klasse D en mag dan ook gekocht worden.

 

Deel dit artikel