Analyse
Risicoklassen 11 jaar geleden - dinsdag 21 februari 2006

Om het risico van een fonds uit te drukken bieden de financiële instellingen verschillende middelen aan. Eén van deze hulpmiddelen is de risicoklasse.

Iedereen die een beleggingsfonds in de portefeuille heeft, weet dat er vroeg of laat een moment komt waarop de inventariswaarde van dit fonds daalt. Het ene fonds maakt echter meer bokkensprongen dan het andere. Om dit risico uit te drukken, bieden de financiële instellingen hulpmiddelen aan die u vaak terugvindt op de technische fiche en in het prospectus van het beleggingsfonds. Eén van deze hulpmiddelen is de toekenning van een risicoklasse.

Het begrip risico
In de beleggingswereld wordt risico meestal geassocieerd met de op- en neerwaartse bewegingen van een belegging, de zogenaamde volatiliteit. Ze wordt berekend op basis van de gemiddelde schommelingen tussen de maandelijkse rendementen tijdens een bepaalde periode van meestal vijf jaar. In vakjargon heet dit de standaardafwijking. Hoe groter de standaardafwijking van uw fonds, hoe meer van dit fonds verwacht wordt dat de koers zal schommelen en hoe groter het risico.

Risicoklassen
Om de banken en verzekeraars aan te sporen dezelfde methodiek te gebruiken hebben de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) en de Belgische Vereniging van Asset Managers (BEAMA) een aanbevelingsnota opgesteld waarin het globale risico van elk fonds bepaald wordt aan de hand van een risicoklasse. De klassen (van 0 – kleinste risico – tot en met 6) worden gedefinieerd door een interval van standaardafwijkingen. Gemiddeld gezien behoort een obligatiefonds tot een lagere risicoklasse dan een klassiek aandelenfonds. 
Een voorbeeld: fondsen die beleggen in Belgische aandelen behoren gemiddeld gezien tot risicoklasse 4. Dit stemt overeen met een standaardafwijking die ligt tussen 15 % en 20 %. Statistisch gezien heeft u nu 95 % kans om na 12 maanden de inventariswaarde van het gemiddelde Belgisch aandelenfonds te zien evolueren binnen het interval -30 %/-40 % en +30 %/+40 % (dit is telkens tweemaal de standaardafwijking in plus en in min) bovenop het gemiddelde rendement. Voor internationale obligatiefondsen (klasse 1) is de marge ‘slechts’ tweemaal 5 % in plus en in min.


De zeven klassen worden bepaald aan de hand van hun volatiliteit (rechterschaal, in %). U hebt 5 % kans dat de waarde van uw beleggingsfonds na 1 jaar stijgt of daalt buiten de grens van twee maal de volatiliteit. Voor risicoklasse 5 betekent dit dus een potentieel verlies of winst van 60 % bovenop het gemiddelde rendement.

Concreet
· De risicoklasse geeft u een idee in welke mate de inventariswaarde van een fonds kan schommelen maar blijft een cijfer, waarachter een complexe realiteit schuil gaat. U mag het dus gebruiken als indicatie, maar ook niet meer dan dat. Ook andere criteria zijn belangrijk : de perspectieven voor de regio, de sector en de munt waarin u wilt beleggen, uw beleggingshorizon, uw risicoprofiel, de prestaties van het fonds ten opzichte van zijn referentiemarkt.
· De gehanteerde intervallen zijn echter groot (zeker voor klasse 5 en 6) waardoor de verschillen binnen een klasse hoog kunnen oplopen.
· Hoe hoger de risicoklasse, hoe minder geschikt voor beleggers met een korte beleggingshorizon of met een defensief risicoprofiel.
· Let op ! De klassen zijn gebaseerd op gegevens uit het verleden en die garanderen niets voor de toekomst.
· Ten slotte is de vermelding van de klasse niet verplicht in de technische fondsenfiche en moet er zelfs helemaal geen duiding zijn. Dit zouden we uiteraard liever anders zien.

Deel dit artikel