Analyse
Bij de verkiezingen in Nederland werden de uittredende regeringspartijen teruggewezen. 9 maanden geleden - woensdag 22 maart 2017
Een teken dat Europa er niet in slaagt om zich resoluut uit de crisis te hijsen.
Bij de verkiezingen in Nederland werden de uittredende regeringspartijen teruggewezen.

Bij de verkiezingen in Nederland werden de uittredende regeringspartijen teruggewezen.

De uitslag van de Nederlandse verkiezingen, met o.m. het verlies van Wilders, heeft de markten tijdelijk gerustgesteld, maar de onzekerheid is nog niet geweken. Samen met de nog altijd vrij zwakke economische vooruitzichten, is dat reden genoeg om de eurozone globaal te mijden als belegger.
Raadpleeg onze portefeuilles voor meer informatie.

 

Versnippering van het politieke landschap

Op de Nederlandse verkiezingsformulieren van 15 maart stond een recordaantal van 28 partijen, waarvan er 13 in geslaagd zijn om zetels te bemachtigen. De liberale VVD van premier Rutte verloor 8 zetels maar blijft wel veruit de grootste partij. Zijn coalitiepartner, de linkse PvdA, werd afgestraft en verloor 29 van haar 38 verkozenen. De PVV van Wilders, tegen vreemdelingen en tegen Europa, werd niet de grootste partij, maar won wel 5 zetels en is met 20 zetels de tweede partij van het land.

Het politieke landschap is na de verkiezingen nog meer versplinterd dan het al was. Dertig jaar geleden haalden de twee grootste partijen samen nog 100 van de 150 zetels. Bij de vorige verkiezingen haalden ze nog net een meerderheid, nu zijn ze samen nog amper goed voor 53 zetels. Dat betekent dat er een coalitie met minstens vier partijen nodig is om een regering op de been te krijgen en dat de formatie weleens lang zou kunnen aanslepen (gemiddelde na WO II is 72 dagen).

 

Jarenlange inspanningen

Net zoals de rest van Europa werd Nederland hard geraakt door de wereldwijde recessie in 2009. De werkloosheid verdubbelde ruimschoots, de vastgoedprijzen kelderden met 20% en de economische activiteit bleef lange tijd zwak. Het land hees zich pas in 2014 uit de crisis en het bbp bereikte maar eind 2014 opnieuw zijn niveau van ervoor.

Maar vandaag staan alle lichten weer op groen. Het bbp klokte eind vorig jaar 3,5% hoger af dan de piekwaarde uit 2008 en de werkloosheid viel terug tot 5,3%. De overheidsfinanciën werden gesaneerd en het begrotingstekort lag vorig jaar in de buurt van 1%, t.o.v. 5% bij het begin van de crisis en 4% in 2012.

Maar om dat te bereiken, heeft de bevolking inspanningen moeten leveren en gemiddeld is de koopkracht van de Nederlanders niet gestegen sinds de crisis. Ook de kwaliteit van de banen en de bescherming van werknemers gingen erop achteruit. Vandaag is één arbeidsovereenkomst op vijf van bepaalde duur. Ook de pensioenleeftijd steeg van 65 naar 67 jaar en sommige uitkeringen werden verlaagd. Dat gepensioneerden moesten inleveren, verklaart het succes van een partij zoals 50plus.

 

Economisch herstel niet voor iedereen gelijk

Los van de inspanningen die nodig waren, overheerste het gevoel dat niet iedereen evenveel heeft moeten bijdragen, en vanuit dat buikgevoel werd er ook gestemd. Steeds meer Nederlanders zijn niet langer bereid om te betalen voor anderen, ook niet voor andere landen. 

Die ongelijkheid vinden we ook terug op Europees niveau. Het economisch herstel verschilt enorm van land tot land, waardoor het moeilijk is geworden om nog een gemeenschappelijk beleid uit te tekenen en er spanningen ontstaan tussen landen onderling. 

Landen die wel hun financiële gezondheid en economische groei hebben teruggevonden (niet zonder moeite), oordelen hard over landen die niet uit het moeras raken. Die laatste wijzen dan weer met de vinger naar dynamische landen, Duitsland op kop, die in hun ogen hun binnenlandse vraag afremmen door een te strak begrotingsbeleid. 

De financiële en economische verschillen binnen de eurozone vertalen zich ook op monetair vlak. Landen zoals Nederland en Duitsland, waar de vastgoedprijzen sterk zijn gestegen, beschuldigen de ECB ervan dat ze een beleid voert op maat van de zwakste landen, zoals Italië. Het getouwtrek binnen de Europese instellingen ondermijnt de geloofwaardigheid van Europa en spreidt zo het bedje voor populistische bewegingen, die zowat in heel Europa een opmars maken.

 

De dreiging van het populisme

De overwinning van het brexitkamp vorig jaar vond ook haar oorsprong in ontevredenheid met de (Europese) instellingen en het gevoel van een onbillijk economisch herstel. In Oostenrijk greep het populistische en nationalistische FPÖ niet ver naast de overwinning op basis van diezelfde voedingsbodem. En al hebben sommige media het nu over het verlies van Wilders, in feite boekte hij 5 zetels winst en zal hij hoe dan ook wegen op het beleid, zeker voor alles wat met migratie en de EU te maken heeft. 

We mogen landen niet over dezelfde kam scheren, maar hoe dan ook staan er in Europa nog meer spannende verkiezingen op stapel. In Frankrijk kan Marine Le Pen het tot in de 2de ronde van de presidentsverkiezingen schoppen, in Duitsland droomt het extreemrechtse Afd ervan de kaap van de 10% te overschrijden in september.

Deel dit artikel