Analyse
Terugblik op een scharnierdecennium 5 jaar geleden - dinsdag 3 januari 2012

De economische wereldkaart is de voorbije 10 jaar ingrijpend gewijzigd. De achteruitgang van de westerse industrielanden valt niet meer te loochenen. Tegelijk bevestigden de groeilanden hun opmars. Gevolgen van die verschuivingen?

Over krekels en mieren...

De overheidsschuld is zowat overal ter wereld uitgegroeid tot een prangend probleem. Dat is onmiskenbaar zo in de eurozone, waar de precaire financiële situatie van een aantal lidstaten een crisis zonder voorgaande heeft ontketend, maar ook in de VS, waar het budgettair parcours eenvoudigweg onhoudbaar is, en al evenzeer in Japan, waar de schuldgraad van 200 % van het bbp elke verbeelding tart! De overheidsschuld is ook voor beleggers zo belangrijk geworden dat landen steeds vaker gerangschikt worden op basis van hun schuldrating (lees: hun financiële situatie). Enerzijds zijn er landen die kromgebogen gaan onder de schulden en anderzijds zijn er die hun reserves aandikken. Als we deze schuldensaga vergelijken met de klassieke fabel van Jean de La Fontaine, dan is Griekenland wellicht het archetype voor alle krekels van deze wereld, terwijl China vaandeldrager is voor de ijverig werkende mieren. De budgettaire onevenwichten dateren vaak al van vóór de laatste crisis en ook van vóór de intrede van China op het internationale toneel, maar ze werden nog aangescherpt door de recentste conjuncturele evoluties. De financiële gevolgen van economische verschuivingen enkel en alleen toeschrijven aan de toestand van de overheidsfinanciën, is echter te kort door de bocht. Want naast de schulden, zijn er natuurlijk ook activa...

Over geld en goed...

Eén methode om zicht te krijgen op de rijkdom in de wereld, bestaat erin het nettovermogen van de inwoners op te lijsten, d.w.z. de som van hun financiële activa tegen marktwaarde, plus de waarde van hun niet-financieel vermogen (vooral huizen en grond), verminderd met hun schulden. Geen enkel land publiceert rechtstreekse statistieken over die gegevens, maar door zelf een compilatie te maken van de gegevens die wel voorhanden zijn, is het mogelijk een indicatieve schatting te maken die bovendien toelaat om te vergelijken in ruimte en tijd.

 

Volgens een studie van Crédit Suisse beschikten de 4,4 miljard volwassenen in onze wereld in 2010 over een vermogen van gemiddeld 43 800 dollar. In totaal bedroeg de particuliere rijkdom dus 194 500 miljard USD, meer dan het drievoud van het wereldwijde bbp! En ondanks de recessie van 2008, die het vermogen van de gezinnen heeft aangetast, is de wereldwijde rijkdom in absolute cijfers met 72 % aangedikt sinds 2000. Dat heeft deels te maken met de bevolkingsaangroei, maar ook de stijging per volwassene de voorbije 10 jaar bedraagt nog altijd 42 %. Anders gezegd, terwijl de landen zich steeds meer schulden op de hals haalden, is het vermogen van de gezinnen globaal genomen gestegen. Vaak gaan hoge overheidsschulden en "rijke" inwoners trouwens samen binnen dezelfde landen. Zo zit Europa tot aan zijn nek in de overheidsschuldencrisis maar zijn de Europeanen wel goed voor 32 % van de totale wereldrijkdom. En in Japan is de overheidsschuld twee keer zo groot als het bbp, maar de rijkdom van de inwoners is bijna vier keer zo groot. De toestand van de Amerikaanse overheidsfinanciën is belabberd, maar de VS blijft vooralsnog het rijkste land ter wereld, goed voor 28 % van de wereldrijkdom. China daarentegen tekent als nieuwe economische kampioen maar voor 8,5 % van die wereldrijkdom.

Met dank aan het verleden

De wereldrijkdom blijft dus vandaag grotendeels geconcentreerd in de traditionele westerse industrielanden, maar die hebben dat ook te danken aan een economische hegemonie van ruim 200 jaar. Het valt niet te ontkennen dat het zwaartepunt aan het verschuiven is in de richting van nieuwe economische (groot)machten. Zo is de rijkdom van de Chinezen de voorbije 10 jaar quasi verviervoudigd en is hun aandeel in het wereldtotaal ruim verdubbeld, van 4,11 % in 2000 naar al 8,47 % in 2010. India gaat van een aandeel van 1,03 % naar 1,82 %, de Brazilianen doen nog beter en springen van 0,76 naar 1,68 %.

 

Dat stijgend aandeel van de groeilanden in de wereldwijde rijkdom is trouwens een quasi algemene trend en zelfs in Afrika, dat vaak wordt afgeschilderd als het vergeten continent qua economische ontwikkeling, is de rijkdom van de inwoners zeer duidelijk gestegen het voorbije decennium. Er zijn wel ook landen waar de inwoners hun vermogen zagen slinken. Zo is de rijkdom van de Argentijnen tussen 2000 en 2010 (Argentijns bankroet in 2001) met ± 30 % gedaald. De Japanners zijn er nog in geslaagd om de waarde van hun vermogen intact te houden, maar door stil te staan terwijl de rest vooruit ging, is het aandeel van Japan in de wereldrijkdom gekrompen van 17 naar 11 %. Ook de aangroei van de Amerikaanse rijkdom was onvoldoende om te vermijden dat het aandeel van de VS in de wereldrijkdom terugliep, van 35 naar 28 %. De EU slaagde er dankzij de goede prestaties van een paar landen wel nog in om over de periode
2000-2010 haar aandeel in de wereldrijkdom op peil te houden (van 29,6 naar 31,8 %) maar verliest de laatste jaren ook terrein ("leeglopen" vastgoedzeepbellen met vertraging t.o.v. de VS) en zal dat wellicht blijven doen.

Onontkoombare verschuivingen

De beste langetermijnindicator om na te gaan of een land rijker of armer wordt, is het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans. Dat houdt rekening met de internationale uitwisseling van goederen en diensten, de monetaire transfers en de inkomstenstromen en bepaalt zo in feite de financiële positie t.o.v. de rest van de wereld. Een positief saldo betekent dat het land in kwestie globaal beschouwd middelen genereert om zijn schulden af te lossen of om geld uit te lenen. Een negatief saldo betekent dat het land geld moet ontlenen bij de rest van de wereld. Een langdurig negatief saldo wijst er dus op dat het land armer wordt. De VS is op dat vlak de trieste winnaar, met een tekort van maar liefst 471 miljard dollar in 2010. Omgekeerd had China in 2010 een overschot van 300 miljard. De EU bengelt daartussenin en heeft, goede en slechte jaren dooreen, een lopende rekening die ongeveer in evenwicht is. Over meerdere jaren bekeken, strookt dat beeld met de realiteit dat het aandeel van de Chinezen in de wereldwijde rijkdom stijgt, dat van Europa ongeveer stabiel blijft, en dat van de VS achteruitboert. Die trends zullen zich het komende decennium doorzetten. Fundamenteel bekeken zal de sterke groeiverwachting voor de opkomende landen de rijkdomaanwas van hun inwoners stimuleren en gezien de huidige context (gebrek aan economische dynamiek in de ontwikkelde landen) zal die trend het komende decennium wellicht nog versnellen.

 

Ook de spaarquote in de groeilanden zit in de lift, terwijl die in de industrielanden net afneemt. Voor die groeilanden hoeft een stevig consumptiepeil niet in de weg te staan van vermogensopbouw, voor de traditionele industrielanden gebeurt het behoud van de levensstandaard ofwel ten koste van de eigen spaarcenten ofwel met geleend geld (consumptiekrediet, geen investeringskrediet).

Schuldenlast gezinnen ook een factor

Naast de verschillen in economische groei en in spaargedrag, is ook de schuldenlast van de gezinnen een bijkomende factor die een herverdeling van de wereldrijkdom in de richting van de groeilanden zal bevorderen. In de traditionele industrielanden vertegenwoordigen schulden al 20 % van de gezinsrijkdom: zo torst elke volwassen inwoner van Noord-Amerika gemiddeld een schuld van bijna 60 000 USD, elke Europeaan van 21 000 USD. Dat is wel even anders in de groeilanden, met een gemiddelde schuld per volwassene van amper 212 en 136 dollar in respectievelijk India en China (4,3 en 0,8 % van het gezinsvermogen). Anders gezegd, in de industrielanden is de kredietader grotendeels leeggezogen en is vandaag schuldafbouw in veel gevallen aan de orde, met als gevolg dat er minder middelen overblijven om investeringen te financieren die voor de rijkdom van morgen moeten zorgen. In de groeilanden is de schuldenlast nog laag en kan de krediethefboom wel nog meer gebruikt worden om te investeren (in activa die meer opbrengen dan de leenkosten), wat de levensstandaard van de inwoners nog verder zal verbeteren.

De inwoners van de traditionele industrielanden zijn vandaag nog altijd rijker maar hun aandeel in de totale wereldrijkdom boert achteruit. Omgekeerd zijn de inwoners van de groeilanden zich heel snel aan het verrijken, en die trend zal zich de komende jaren doorzetten.

 

Deel dit artikel