Analyse
Griekenland, Ierland, Portugal: andere voorgeschiedenis, zelfde uitdagingen… 6 jaar geleden - donderdag 21 april 2011

Na Griekenland en Ierland was Portugal onlangs het derde euroland dat een beroep moest doen op noodhulp van de EU en het IMF. In de drie gevallen gaat het om lidstaten uit de Europese periferie met een hoge schuldenlast. Toch is de realiteit complexer dan dat.

 

Andere voorgeschiedenis

In de tien jaar vóór de crisis legden Griekenland, Ierland en Portugal een verschillend groeitraject af. Tot in 2007 beleefden Griekenland en Ierland een tiental uitstekende jaren, met een gemiddelde economische groei van respectievelijk 4,1 % en 6,7 % over die periode. Zo steeg het bruto binnenlands product per inwoner (rijkdom die door een land gecreëerd wordt gedeeld door het aantal inwoners) in Griekenland van 83 % van het Europees gemiddelde naar 92 % in 2007. Ierland ging zelfs van 121 % van het Europees gemiddelde naar 147 % en was daarmee een van de rijkste EU-lidstaten! Het parcours van Portugal was helemaal anders, met een gemiddelde economische groei van slechts 2,3 % over diezelfde periode. Het bbp per inwoner steeg er weliswaar wat in absolute termen, maar in 2007 bedroeg het nog altijd maar 79 % van het Europese gemiddelde, hetzelfde niveau als in 1998.

 

Griekenland, Ierland en Portugal behoorden bij hun toetreding alle drie tot de armere landen van de EU, maar hebben daarna duidelijk een verschillend groeiparcours afgelegd.

 

Schuldenberg onder de loep

De uitzonderlijke, en op termijn onhoudbare, economische prestaties van Ierland waren te danken aan een erg gunstig fiscaal regime voor bedrijven, maar ook aan de explosie van de vastgoedmarkt onder impuls van massaal en al te makkelijk toegekende kredieten. De reële rentevoeten waren vaak negatief, waardoor het voor ontleners wel erg interessant werd om zich in de schulden te steken. Resultaat? Naast een spectaculaire stijging van de vastgoedprijzen (verdubbeling tussen 2000 en 2006) ontspoorde ook de schuldenlast van de gezinnen, tot maar liefst 199 % van het beschikbaar inkomen in 2009! De ongebreidelde consumptie van de privésector stond in schril contrast met de voorzichtigheid van de Ierse staat, die in 2006-2007 slechts een overheidsschuld van 25 % van het bbp had. Helaas bleek die voorzichtigheid onvoldoende toen de woningprijzen instortten (-30 %) en de wanbetalingen op kredieten 's lands banken aan de rand van de afgrond brachten. De overheid moest massaal geld in de banken pompen om hun voortbestaan te redden, waardoor de overheidsschuld aanzwol tot bijna 100 % van het bbp.

 

In Griekenland ligt de schuldenlast van de gezinnen veel lager maar liet de overheid, beneveld door de economische groei, zich verleiden tot te grote uitgaven en aarzelde ze ook te lang om broodnodige hervormingen door te voeren (o.a. m.b.t. de pensioenen en de arbeidsmarkt). De overheidstekorten stapelden zich steeds hoger op en ook grote infrastructuurprojecten (o.m. de Olympische Spelen van Athene in 2004) deden geen goed aan het totale kostenplaatje. De Griekse begrotingstekorten bedragen sinds 2000 gemiddeld bijna 7 % en de overheidsschuld dikte aan tot 130 % van het bbp in 2010.

 

In Portugal evolueerde de overheidsschuld conform het Europees gemiddelde maar consumeerden de gezinnen al te zorgeloos en groeide hun schuldenlast aan tot 129 % van het bbp in 2009. Ook de Portugese bedrijven investeerden en leenden er op los, waardoor hun schuldgraad opliep tot ruim 40 % in 2009, tegenover een gemiddelde van minder dan 10 % voor de eurozone en slechts 5,4 % in Duitsland. Het gevolg is dat vandaag de hele Portugese economie gebukt gaat onder een zware schuldenlast.

 

Zelfde uitdagingen

Naast de groeiende schuldenlast is ook de gedaalde competitiviteit een probleem. Terwijl Duitsland er al 20 jaar in slaagt om de loonkosten te beheersen, zagen Griekenland, Ierland en Portugal hun productiekosten fors stijgen, niet alleen door stijgende lonen maar ook door een beperkte productiviteitswinst. Sinds de invoering van de euro zijn de productiekosten per eenheid met zowat 30 % gestegen in vergelijking met Duitsland. En door de te lage competitiviteit van de lokale producenten, kiezen de inwoners liever voor ingevoerde producten en brengen ze zo de handelsbalans van hun land uit evenwicht. Om terug te keren naar meer stabiliteit en de begrotingstekorten terug te dringen, zullen de Griekse, Ierse en Portugese overheden niet alleen moeten bezuinigen maar ook werk maken van loonmatiging om hun competitiviteit te herstellen. De gezinnen zullen hun consumptiegedrag moeten aanpassen om hun financiële situatie te saneren en de handelsbalans van hun land (invoer/uitvoer) opnieuw meer in evenwicht te krijgen.

 

Geen makkelijke opdracht

Dergelijke opdracht kondigt zich allesbehalve makkelijk aan. In 2009 bedroeg het tekort op het primair saldo (begrotingstekort of -overschot zonder de rentelasten op de staatsschuld) in Griekenland 10,1 % van het bbp, in Ierland 12,2 % en in Portugal 6,5 %. Enkel en alleen om de schuld van deze landen te stabiliseren, zouden ze moeten evolueren naar een begrotingsoverschot dat even groot is als de rentelasten op de staatsschuld. Op korte termijn, en gezien de enorme tekorten, zal hun overheidsschuld blijven stijgen en een hoogtepunt bereiken rond 2015: 160 % van het bbp voor Griekenland, 125 % voor Ierland en 100 % voor Portugal. In het beste scenario, en uitgaand van Europese financiering tegen rentevoeten van 4,2 % (zoals recentelijk toegekend aan Griekenland) zouden de rentelasten op de Griekse schuld moeten kunnen dalen tot 7 % van het bbp, die van Ierland en Portugal tot zowat 5 %. Om dat te bereiken, zal Griekenland een inspanning moeten leveren (uitgaven terugdringen en fiscale druk verhogen) ten belope van zowat 17 % van zijn bbp. Ook Ierland moet een inspanning van ± 17 % van zijn bbp leveren, Portugal ± 12 %. Dat zal tijd vragen en zich wellicht vertalen in een lange periode van lage economische groei en van loonmatiging. Ierland lijkt nog over de beste kaarten te beschikken om de uitdaging aan te gaan. Dankzij de erg flexibele Ierse arbeidsmarkt konden de loonkosten van de bedrijven snel worden teruggedrongen en de productiviteitswinsten die er geboekt worden, behoren tot de hoogste in Europa. Griekenland staat voor een moeilijkere opdracht, want ondanks mooie productiviteitswinsten steeg de loonkost per eenheid slechts in weinig eurolanden nog sterker. En Portugal zal hoe dan ook de grootste inspanning moeten leveren, want daar zit sinds de invoering van de euro de loonkost per eenheid product fors in de lift en blijven de geboekte productiviteitswinsten voorlopig beperkt.

 

Conclusies

Griekenland, Ierland en Portugal staan voor een periode van snoeien in de overheidsuitgaven en van loonmatiging. Dat proces riskeert meerdere jaren aan te slepen en de drie landen in een crisisperiode te doen belanden waar ze weliswaar competitiever uit zullen komen, maar ook behoorlijk armer. In een dergelijke context valt het te verwachten dat ze vroeg of laat ook zullen moeten buigen voor de wil van de kiezers, die onvermijdelijk zullen eisen dat een deel van de verliezen ook wordt afgewenteld op de houders van overheidsschuldpapier (lees : de beleggers). Door het Griekse financieringsakkoord lijkt een situatie van wanbetaling onwaarschijnlijk vóór 2013, maar op langere termijn vrezen we dat een schuldherschikking voor zowel Griekenland, Ierland als Portugal mogelijk blijft.

 

Obligaties van die landen met een einddatum na 2013 zijn dan ook af te raden. Door de sterke correlatie tussen de Griekse, Ierse en Portugese schuld, heeft het ook geen zin om op meerdere van deze landen een gokje te wagen. Laat u dus niet te snel verleiden door de ogenschijnlijk hoge rentevoeten, want u zou het zich later weleens kunnen beklagen.


Deel dit artikel