Analyse
Aandelenfondsen in 2011 5 jaar geleden - donderdag 12 januari 2012

Vorig jaar was er voor de aandelenbeleggers geen ontsnappen aan. Alle wereldbeurzen, met uitzondering van de Amerikaanse en enkele illustere tegenhangers (Filippijnen, Indonesië Tsjechië), gingen (fors) lager.

Gemiddeld gingen de beurzen wereldwijd 7,1 % lager. Daarbij ontsnapte geen enkele regio aan de man met de sloophamer, met uitzondering dus van de Amerikaanse (zie verder). De verschillen tussen de diverse beursindices waren groot.
De fondsen die mikken op wereldwijde aandelen verloren gemiddeld 8,6 %. Daarmee doen ze slechter dan de markt en dat komt omdat ze gemiddeld gezien ook minder stevig in Amerikaanse aandelen beleggen. Sommige fondsen trekken ook harder de groeilandenkaart en incasseerden de grootste tik. Zo verloor BNP P L1 OBAM Equity World 23,6 % terwijl BNP P L1 Equity World, een fonds uit dezelfde stal en categorie slechts 2 % kwijtspeelde. Het OBAM-fonds trekt niet alleen meer de kaart van de groeilanden, het steekt daarnaast ook meer gewicht in financiële aandelen. Beide keuzes waren nefast in 2011.
De categorie wereldwijde aandelenfondsen blijft een interessante belegging voor diegenen die de tijd en de goesting niet hebben om zélf een eigen portefeuille op te bouwen. In geen enkele andere aandelencategorie haalt u zo’n spreiding over beurzen en munten in huis. Het aanbod is groot en divers. Op grond van portefeuille, kwaliteit van het beheer en kosten gaat onze voorkeur uit naar JPMorgan Global Focus A of Petercam Equities World 3F. Dat laatste fonds heeft als eigenheid dat het niet belegt in financiële aandelen.

 

VS: enige uitzondering

De positieve beursprestatie die Wall Street vorig jaar kon voorleggen, in lokale munt (+0,9 %) en na omzetting in euro (+3,2 %), is een straffe exploot als we de beurscontext van vorig jaar aanschouwen. De Amerikaanse beurs dankte de winst aan de puike rally die de laatste maanden van 2011 werd afgelegd (+15 %). Die kwam er nadat tal van economische cijfers (werkloosheid, productie), in tegenstelling tot die van de eurozone, almaar hoger werden herzien en het vertrouwen in de Amerikaanse economie herstelde.

 

De fondsen in Amerikaanse aandelen wonnen gemiddeld 2,2 %. Dexia Sustainable North America klom maar liefst 9,7 % en was daarmee het best presterende geografische aandelenfonds uit de tabellen. Toppers waren hier o.a. Bristol Myers Squibb (farma, +44,1 %) en Procter & Gamble (consumptiegoederen, +10,6 %). De keuze voor meer defensieve sectoren leverde het fonds geen windeieren op. BlackRock US Basic Value ontgoochelde (-2,2 %) dan weer door beleggingen in JPMorgan Chase (zakenbank, -17,3 %) en Metlife (verzekeraar, -25,9 %). BNP P L1 Opportunities USA ten slotte viel al helemaal uit de toon (-16,5 %). Het fonds mikt vooral op grondstofbedrijven uit de VS en Canada en die hadden het moeilijk. Zo verloren Apache (energie, -21,1 %) en Mosaic (meststoffen, -31,6 %) heel wat terrein.
Hoewel de Amerikaanse economie nog een hele weg af te leggen heeft om van een robuust herstel te spreken, zijn de kiemen al gezaaid. Het dynamisme van de lokale markt in combinatie met een centrale bankier die volop de kaart van de groei trekt en een beurs die aan de goedkope kant is, zorgen ervoor dat we nog altijd belegd blijven in Amerikaanse aandelen. Daarbij gaat onze voorkeur naar indexfondsen die de brede beurs schaduwen. Naast KBC Index US en SSgA US Index Equity is dat de tracker iShares S&P 500 (IE00B4L5ZD99, IACC op Euronext Amsterdam).

 

Groeilanden: vaandelvlucht

Als zelf de plaatselijke belegger uit de eigen markt vlucht, dan weet je het wel. De groeilandenbeurzen kampten vorig jaar met heel wat uittredingen, zowel binnen als buiten de grenzen. Dat zorgde voor koersdruk waardoor nieuwe rondjes verkopen werden geactiveerd. Heel wat beleggers verkochten om de winsten van de afgelopen jaren te incasseren.
Te berijden in 2009 en 2010, te mijden in 2011. De hero van de afgelopen jaren werd een zero. De slinger is echter te veel teruggeslagen.
De fondsen die in alle groeiregio’s beleggen, verloren gemiddeld 19 %. De populaire BRIC-fondsen, die beleggen in Brazilië, Rusland, India en China, moesten het ontgelden (-22,7 %). Dat komt vooral door de Indiase beurs die maar liefst 35 % verloor. Het land kampt met een hoge inflatie (9,4 %), en twee belangrijke sectoren geraakten nooit uit de gevarenzone. Zo kreunden de financiële aandelen onder de strengere opgelegde kredieteisen en had de energiesector Fukushima-naweeën.
Het ergste leed ligt nu achter ons en de goedkope Indiase aandelen blijven een must voor iedere belegger met een neutraal of dynamisch risicoprofiel. Franklin India A EUR steekt daarbij met kop en schouders boven de in België verdeelde concurrentie uit.
Een andere belangrijk slachtoffer onder de groeilandbeurzen was de Turkse beurs. Die verloor een derde van haar waarde, o.a. nadat de Turkse lira op kruistocht ging (-16 % tegenover de euro). De hoge inflatie (10,5 %) lijkt ontembaar en dat zet de centrale bankier onder druk om de rentevoeten op te trekken. Gevreesd wordt dat elke prille vorm van marktherstel in de kiem zal smoren.
In 2011 speelden de groeilanden een (flink) deel van hun groei kwijt. Maar er is nog altijd sprake van groei! En dat heel wat landen kunnen rekenen op begrotingsoverschotten en relatief lage schulden wordt als snel door de goegemeente vergeten. Loont het nog de moeite om erin te beleggen? Zeer zeker. Brazilië, China en India dragen daarbij onze voorkeur weg. Rusland is enkel weggelegd voor de dynamische langetermijnbelegger.

 

Deel dit artikel