Analyse
Farmasector steeds gezonder 11 jaar geleden - donderdag 13 juli 2006

De vooruitzichten ogen goed voor de gezondheidssector. De bedrijven blijven saneren en er zitten opnieuw potentiële blockbusters in de gevulde pijplijnen.

De vooruitzichten ogen goed voor de gezondheidssector. De bedrijven blijven saneren, de klassieke farmareuzen passen zich goed aan de gewijzigde marktomstandigheden aan en er zitten opnieuw potentiële blockbusters in de gevulde pijplijnen. Daarnaast zorgt het atypische beursgedrag van die aandelen voor een extra spreiding binnen een portefeuille en bestaan er enkele goede fondsen.

De afgelopen drie jaar klom het gemiddelde fonds uit de gezondheidssector zo’n 16 % hoger. Niet slecht denkt u wellicht, maar als u weet dat een fonds dat in internationale aandelen belegt meer dan 42 % winst optekende, dan relativeert u snel die beursprestaties. Binnen de sector waren er daarbij grote verschillen. Zo deden de Europese bedrijven het veel beter dan de Amerikaanse, klokte biotechnologie hoger af dan klassieke farma en stalen de dienstverlenende gezondheidsbedrijven zoals gespecialiseerde verzekeraars en de producenten van medische uitrusting de show. Wat ons vooral interesseert, is het toekomstplaatje van de farmareuzen. Zij maken immers de dienst uit in de fondsenportefeuilles (tot 80 %).

BUITENBEENTJE MAAR NIET RISICOLOOS
· Toegegeven. In tijden van economische voorspoed, zoals dat recentelijk in feite het geval was, zullen (cyclische) sectoren zoals de consumptiegoederensector en de industriesector normaal beter presteren dan de farmasector omdat ze nu eenmaal onmiddellijk profiteren van de hogere economische groei. De defensieve sector van de gezondheidszorg bewijst vooral zijn nut als het economisch wat minder voor de wind gaat. Of de economie nu goed draait of slecht, medische toepassingen en medicijnen zijn er altijd nodig. Hoewel dat kenmerk voor een natuurlijke buffer zorgt, betekent dat echter niet dat de gezondheidssector zonder risico is.
· De farmaceutische bedrijven investeren bijvoorbeeld handenvol geld in onderzoek en ontwikkeling (O&O) zonder enige garantie dat er een product uit zal voortvloeien. Daarbij weegt de affaire Vioxx (Merck moest die pijnstiller in 2004 uit de handel halen wegens de verhoogde kans op hartstilstand) nog altijd op de sector. Omdat de FDA daarbij een te lichtzinnige controle werd verweten, pakt de controleur de zaken grondig(er) aan. Vele geneesmiddelen moeten nu een extra batterij dure klinische testen ondergaan alvorens te mogen worden gecommercialiseerd. Het gevolg: langere wachttijden en O&O dat nog duurder is geworden dan vroeger.
· Naast die budgetinflatie kampt de sector met de almaar heviger generische concurrentie, merkloze producten die in goedkope kopieën zijn van bestaande medicijnen Toen Eli Lilly in 2001 het patent op het antidepressivum Prozac verloor, daalde de omzet met 84 % in amper vijf maanden, zowat twee miljard dollar. De generische bedrijven zetten ook steeds vroeger de juridische aanval in op de octrooien van de blockbusters (= medicamenten met een jaarlijkse omzet van 1 miljard dollar). Daarbij hopen ze om zo sneller hun eigen kopieën op de markt te brengen. Zo won het Israelische Teva eind 2005 een proces tegen Merck waardoor het patent op Fosamax (botontkalking) tien jaar vroeger dan verwacht verviel. Omdat tussen vandaag en 2010 een dertigtal patenten van populaire geneesmiddelen vervallen, verwachten analisten dat de jaarlijkse groei van de generische markt zo’n 14 % zal bedragen. Dat is zowat het dubbele van die van de totale farmasector.

WERELDWIJDE BREDE FARMASECTOR (in het vet) EN WERELDWIJDE AANDELENINDEX SINDS 2001 (basis 100)

De laatste jaren waren de beursprestaties van de gezondheidszorgsector minder goed dan verwacht, vooral in Amerika. Wij verwachten dat het ergste achter de rug is en dat de sector opnieuw zal kunnen aanknopen met de groei van weleer.

MAAR FARMAREUZEN ZITTEN NIET STIL
De generische uitdaging is echter niet nieuw. De grote farmabedrijven slagen dan ook steeds beter erin om dat risico in te dekken en zelfs te beheersen. Zo worden steeds meer vonnissen in het voordeel van de farmareuzen uitgesproken (zoals Lipitor (cholesterol) van Pfizer en Zyprexa (schizofrenie) van Eli Lilly). Dit doet de rechtsonzekerheid rond patenten wegebben. Daarnaast beginnen de farmareuzen exclusiviteitsdeals te sluiten met o.a. ziekteverzekeraars om zo hun medicijnen (tegen bodemprijzen) aan de man te blijven brengen i.p.v. de generische equivalenten. Dat was het geval voor blockbuster Zocor (cholesterol) van Merck. Ten slotte wordt er ook geld geslaan uit de verkoop van fabricatielicenties aan de generische sector net na het patentverval. Al die elementen dammen de (financiële) gevolgen van het patentverval in.

TOEKOMSTIGE GROEI VERZEKERD
· De kous is daarmee nog niet af. De farmareuzen blijven consolideren om zo tot de nodige schaalvoordelen te komen (overname Schering door Bayer).Ook komt er nog geen einde aan de kostenbesparingen. Zo besliste Eli Lilly eind juni om zijn O&O-site in Wallonië op te doeken waardoor 300 mensen helaas hun baan verliezen. Ook Pfizer en Merck zetten de tering naar de nering.
Daarnaast specialiseren de farmabedrijven zich steeds meer op hun kernactiviteiten. De rest wordt afgestoten. Zo verkocht Pfizer zijn afdeling ‘vrije geneesmiddelen’ aan Johnson & Johnson. Het vrijgekomen geld wordt gebruikt om de oorlogskas te spekken en eigen aandelen in te kopen.
· Ten slotte raken de pijplijnen goed gevuld en liggen enkele blockbusters in het verschiet. Die zullen meer dan waarschijnlijk voortkomen uit de bestrijding van ouderdomsziektes zoals reuma (Orencia van Bristol-Myers Squibb), Alzheimer en Parkinson. Daarnaast wordt er veel verwacht van de (preventieve) bestrijding van kanker (Sutent van Pfizer, Gardasil van Merck) en zwaarlijvigheid (Acomplia van Sanofi-Aventis). In 2000 waren er volgens het onderzoeksbureau IMS Health 36 blockbusters op de markt, dit jaar zijn er dat al een dikke 90.

WELK FONDS KIEZEN?
· Aan gespecialiseerde fondsen geen gebrek. We hebben een selectie opgenomen. Enkele onder hen worden daarbij ook vrij goed beheerd, vooral de laatste jaren.
We onderscheiden de wereldwijd gespreide, de Europees gespreide en de beloftevolle maar ook risicovolle biotechnologiefondsen. De wereldwijde fondsen steken zo’n 70 % van de portefeuille in Amerika, de rest gaat vooral naar Zwitserse en Britse bedrijven. Er wordt zowat 60 % belegd in de klassieke farmareuzen, 20 % in producenten van medische uitrusting (Medtronic en Essilor) en het restant in zowel de dienstverlenende subsector als in biotechnologie (Nabi, Gilead Sciences, Celgene). Europese fondsen focussen daarentegen minder op biotech (5 %) en meer op medische uitrusting (25 %).
· Hoger vermelden we het al: vooral de wereldwijde fondsen hebben het slecht hebben gedaan. De problemen omtrent de ontstekingsremmers Bextra en Celebrex wogen op de koers van marktleider Pfizer en Merck ging onderuit in de nasleep van de affaire-Vioxx. Ook is het vooral in de VS dat de generische concurrentie voor oprispingen zorgt. Wij verwachten dat op dat vlak het ergste achter de rug is en dat de beursprestaties van de sector aan beide zijden van de Oceaan voortaan opnieuw parallel zullen lopen.
· Rekening houdend met de klassieke elementen zoals het rendement, het risico, de regelmaat in de prestaties en de samenstelling van de portefeuille hebben we bij de wereldwijde fondsen een lichte voorkeur voor Janus World Funds Global Life Sciences A (verdeeld door Citibank en Cortal Consors, ISIN: IE0002122038 ,***). De beheerder volgt daarbij alles behalve de massa en doet dat tot op heden met verve. Hij belegt slechts 20 % buiten de VS en houdt er een vrij dynamische portefeuille op na. Zo steekt hij een derde van de portefeuille in biotech en een vijfde in dienstverlenende bedrijven. De grootste posten in de portefeuille zijn de gezondheidsverzekeraars Coventry Health Care en Aetna en de farmagigant Roche. Wat de Europese sector betreft kunnen we niet om Fortis L Equity Pharma Europe (LU0119119864, HHH) heen. Hier wordt vooral in Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk belegd. De top drie bestaat uit Novartis, Roche en Sanofi-Aventis.

Biotechnologie?

De biotechsector blijft voornamelijk op Amerikaanse leest geschoeid (90 % van de markt). Het grootste Europese bedrijf, het Zwitserse Serono, is tien keer kleiner als Genentech, het grootste Amerikaanse dat eigendom is van de Zwitserse farmareus Roche. Dat weerspiegelt zich ook in de fondsenportefeuilles. Wereldwijd gespreide fondsen beleggen zo’n 15 % in biotechbedrijven, Europees gespreide laten de sector links liggen. Maar door de vele deals tussen klassieke farmabedrijven en biotechbedrijven hebt u zelfs in die fondsen voldoende indirecte biotechnologiedekking. Gezien het grote risico van deze nichesector en het feit dat er dus al voldoende biotechnologie in de farmafondsen zit, is het volgens ons niet nodig om een zuiver biotechfonds te kopen.

 

Deel dit artikel