Koopgids

Koopgids fototoestel

31 mei 2017
fototoestel

31 mei 2017

Waar moet je op letten bij je keuze? Welke vragen moet je je  stellen om het meest geschikte model te vinden? In onze aankoopgids vind je meer uitleg en advies.

Sensorgrootte, resolutie en formaten

De digitale sensor in een fototoestel vangt het licht op en speelt dus de rol van de oude 35 mm-filmpjes voor analoge fototoestellen. De grootte van de sensor kan sterk verschillen en wordt gewoonlijk uitgedrukt in inch (Engels voor duim).

Standaard en avontuurlijke compactcamera’s, superzoomcamera’s en sommige bridgecamera’s zijn uitgerust met een kleine sensor van 1/2.3 inch (6,2 x 4,6 mm) of 1/1,7 inch (7,5 x 5,5 mm). Daarna zijn er de middelgrote tot grote sensoren van 1 inch (13,2 x 8,8mm) of 4/3 inch (17,3 x 13 mm). Reflex- en hybridecamera’s zijn tot slot uitgerust met een nog grotere APS-C-sensor (met een oppervlakte van ongeveer 23,6 x 15,7 mm, afhankelijk van het merk) of een full frame sensor van 36 x 24 mm (even groot als de traditionele 35 mm-film). Hoe groter de sensor, hoe beter de foto’s gewoonlijk zijn, zeker bij weinig licht. Maar de prijs is vaak navenant.

Voorbeelden van illustraties van de sensorgrootte:

sensorgrootte

sensorgrootte

sensorgrootte

Al deze sensoren bestaan uit miljoenen pixels. Daarom spreekt men van megapixels (MP). Pixels zijn lichtgevoelige puntjes, die bij een opname allemaal een deeltje van het licht opvangen en een minuscuul puntje op de foto vormen. Kleine sensoren van 1/2,3 inch, 1/1,7 inch, 1 inch of 4/3 inch bestaan gemiddeld uit 12 tot 20 MP. De grotere APS-C- en full frame sensoren bevatten 16 tot 24 MP, en enkele modellen zelfs meer dan 50 MP.

Meer megapixels niet per definitie beter

Sinds 2010 voeren camerafabrikanten een “megapixelrace”. Dit is in de eerste plaats een verkooptechniek, gebaseerd op het simpele argument dat een 15 MP-toestel meer gedetailleerde foto’s maakt dan een 10 MP-toestel. Als een sensor echter meer pixels bevat dan een andere sensor van dezelfde grootte, is het logisch dat de pixels kleiner zijn. Hoe kleiner de pixels (of lichtgevoelige cellen) zijn, hoe minder licht ze opvangen en hoe minder licht de sensor in zijn geheel opvangt. Bij de beeldvorming moet het signaal van elke pixel dus worden versterkt. Die versterking zorgt voor ruis, met andere woorden pixels in afwijkende kleuren, waardoor de fotokwaliteit aanzienlijk afneemt. Hoe meer de signalen worden versterkt (wat wel degelijk noodzakelijk is bij heel kleine pixels), hoe meer ruis er ontstaat. Een tiental jaren geleden boden sommige goedkope compactcamera’s met een kleine sensor en een resolutie tot soms 20 MP dan ook een minder goede fotokwaliteit dan hun voorganger. De beeldkwaliteit was dus blijkbaar ondergeschikt aan de verkoopcijfers …

Vandaag wordt dit verkoopargument nog altijd gebruikt door smartphonefabrikanten. Door de toename van het aantal pixels op de sensor van een smartphone – die per definitie al heel klein is – worden die pixels zo klein dat ze nog weinig licht opvangen. Het signaal van de pixels moet dus enorm worden versterkt, wat vaak slechte foto’s met veel ruis oplevert. Om een goede foto te verkrijgen, is dan ook een geavanceerde beeldverwerking nodig. Dat vergt een krachtige processor, zoals bij de duurdere smartphones.

Digitale sensoren bestaan niet alleen in verschillende groottes en resoluties (MP), maar ook in verschillende formaten. De huidige toestellen maken gebruik van het 4:3 of 3:2 formaat.

  • 4:3 is de beeldverhouding van de 4/3 inch-sensoren in hybride camera’s van Panasonic en Olympus, maar ook van de 1 inch-sensoren van de meeste geavanceerde compactcamera’s en de kleine 1/1.7 inch- en 1/2.3 inch-sensoren van de meeste compact- en superzoomcamera’s. Die hebben dus allemaal een hoogte-breedteverhouding van 1,33.
  • 3:2 is de beeldverhouding van het oude analoge filmformaat, met een beeldgrootte van 24x36 mm. Full frame sensoren zijn exact even groot. Maar ook de APS-C-sensoren van reflexcamera’s en van de hybride camera’s van Fujifilm, Canon en Sony hebben een beeldverhouding van 3:2, ofwel een hoogte-breedteverhouding van 1,5.

sensorgrootte

Het formaat heeft een rechtstreekse invloed op uw fotoafdrukken. Met een 4:3-sensor maakt u het best afdrukken van 10x13 cm, met een 3:2-sensor kiest u beter voor 10x15 cm.

Afhankelijk van het merk en model kunt u ook foto’s maken in andere formaten, zoals panorama (16:9) of vierkant (1:1). Omdat die echter niet overeenstemmen met het formaat van de sensor, wordt het beeld op de sensor zelf geherkadreerd. Voor een opname in 16:9-formaat wordt bijgevolg niet de volledig sensoroppervlakte gebruikt, waardoor de beeldresolutie lager is. Er worden dus minder pixels voor de foto gebruikt dan er in totaal op de sensor aanwezig zijn.

Het aantal megapixels dat de fabrikant vermeldt, geldt dan ook maar voor één beeldformaat, namelijk het formaat waarbij de volledige sensor wordt gebruikt. Een beeld dat geherkadreerd is (bijvoorbeeld naar 16:9-formaat), bestaat dus uit minder megapixels, waardoor de foto minder gedetailleerd zal zijn. De beschikbare beeldformaten hangen af van uw toestel en kunt u kiezen in de instellingen.